Hoofdstuk 3 - Vaststelling van het Reglement van klachten in beroep ...
Hoofdstuk 3
Vaststelling van het Reglement van klachten in beroep; taak en werkwijze van de Raadscommissie, genaamd College van Beroep
(Het Beroepsreglement Reclamewezen)
3.1.
Artikel 1 (Definities) van de Algemene Voorwaarden voor Reclame en Reclamecontracten, hierna te noemen De Regelen, is op het onderhavige Beroepsreglement Reclamewezen van overeenkomstige toepassing.
3.2.
Elke direct belanghebbende kan, indien hij meent, dat een te zijnen nadere uitgesproken beslissing van het Bestuur onjuist of onbillijk is, daarvan volgens het bepaalde in dit Beroepsreglement in beroep komen bij het College van Beroep, hierna te noemen het College.
Het in de voorgaande volzin bepaalde is van overeenkomstige toepassing, indien het Bestuur een klacht ter zijde heeft gelegd of zich anderszins van een beslissing onthoudt.
3.3.
Het College beslist in hoger beroep bij wege van bindend advies.”
3.4.
Het College bestaat inclusief de voorzitter uit drie natuurlijke personen. De leden van het College zijn niet op enigerlei wijze betrokken bij de Stichting of één van de bij haar Aangesloten Partijen en zullen over de zaak in beroep volledig en onafhankelijk moeten kunnen oordelen.
3.5.
De voorzitter en de overige leden van het College worden voor een periode van vier jaar benoemd. Zij zijn voor eenzelfde periode herkiesbaar.
3.6.
Het secretariaat van het College wordt waargenomen door de directeur van de Stichting of een door hem - in overleg met het Bestuur - aan te wijzen plaatsvervanger.
3.7.
Het beroep moet bij aangetekend schrijven, gericht aan het secretariaat van het College, worden ingesteld binnen drie weken, nadat de aangevochten beslissing van het Bestuur is uitgesproken en de schriftelijke kennisgeving door de secretaris van het Bestuur is verzonden. In bijzondere gevallen kan het College ook een nadien binnengekomen beroepsschrift in behandeling nemen.
Het beroepschrift, dat in viervoud moet worden ingediend, dient in elk geval te bevatten:
i. naam, adres, woon- of vestigingsplaats van de appellant;
ii. een aanduiding van de aangevochten beslissing van het Bestuur;
iii. de gronden, waarop deze beslissing wordt aangevochten;
iv. de handtekening van de appellant, of van een bevoegde bestuurder of beherend vennoot van de appellant.
3.8.
Geen beslissing wordt uitgesproken door het College, dan nadat de appellant en geïntimeerde terzake van het beroepschrift zijn gehoord, althans behoorlijk tot dat verhoor zijn opgeroepen. Ieder van hen heeft het recht zich door een raadsman te doen vergezellen. Verschijning bij gemachtigde is uitsluitend toegestaan na voorafgaande schriftelijke toestemming van de voorzitter van het College. Voorts zal het Bestuur in de gelegenheid worden gesteld door een of meer leden van het bestuur zijn in eerste instantie gegeven beslissing in de beroepszaak toe te lichten respectievelijk te verdedigen.
3.9.
Appellant en geïntimeerde zullen door het College in de gelegenheid worden gesteld aanwezig te zijn bij het horen van getuigen, alsmede zelf getuigen te doen horen.
3.10.
Om beslissingen te kunnen nemen moet het College voltallig zijn. Het College kan zelf de aangevallen beslissing bevestigen, vernietigen of wijzigen, zowel ten nadele als ten voordele van de appellant, dan wel de zaak terugverwijzen ter afhandeling daarvan met inachtneming van de beslissing van het College. Het College kan echter geen andere of hogere sancties opleggen dan die omschreven in artikel 2.8. van Het Klachtenreglement. Het College kan tevens bepalen, dat de appellant de door het College vast te stellen kosten van behandeling van het beroep zal moeten betalen, evenwel met dien verstande dat, indien de beslissing van het College inhoudt dat geen sancties worden opgelegd, appellant slechts in bedoelde kosten zal kunnen worden verwezen voor zover deze veroorzaakt zijn door een ernstig verzuim zijnerzijds ten aanzien van het voeren van verweer bij de behandeling van de klacht door het Bestuur.
3.11.
Beslissingen van het College dienen met redenen te zijn omkleed en dienen duidelijk te vermelden welke bepalingen van de Regelen niet zijn nageleefd, welke de feiten zijn, waaruit het niet-naleven heeft bestaan en welke bewijsmiddelen zijn gebezigd.
3.12.
Het College mag niet beslissen op stukken, waarvan de appellant of de geïntimeerde geen kennis heeft kunnen dragen, tenzij deze uitdrukkelijk hebben verklaard daartegen geen bezwaar te hebben.
3.13.
Leden van het College, die naar mening van het College belanghebbende zijn bij een in behandeling komend beroep, mogen aan die behandeling van het beroep niet deelnemen en moeten worden vervangen door een plaatsvervangend lid van het College.
3.14.
Van de door het College genomen beslissingen wordt door het secretariaat van het College zo spoedig mogelijk schriftelijk bij aangetekend schrijven kennis gegeven aan de betrokkenen.
3.15.
Zolang het College nog geen uitspraak heeft gedaan met betrekking tot het bij het College aanhangig gemaakte beroep van een door het Bestuur in eerste aanleg genomen beslissing, wordt aan deze beslissing geen uitvoering gegeven.
3.16.
De leden van het College zijn, ook na hun aftreden als zodanig, verplicht tot strikte geheimhouding van hetgeen hun bij de uitoefening van hun taak aangaande de behandeling van beroepen, bekend is geworden.
3.17.
Het Bestuur kan voor de leden van het College een vergoeding vaststellen voor de door hen als lid van het College verrichte werkzaamheden.
3.18.
De bepalingen van dit hoofdstuk van het huishoudelijk reglement van de Stichting ROTA kunnen worden aangehaald als “Het Beroepsreglement Reclamewezen”.