Artikel 06. Verplichtingen verband houdende met de verleende tijdelijke erkenning en de erkenning
Artikel 6. Verplichtingen verband houdende met de verleende tijdelijke erkenning en de erkenning
6.1.
De erkenninghouder is verplicht tot voortdurende inachtneming van de voor de tijdelijke erkenning of erkenning geldende kenmerken en voorwaarden, zoals omschreven in artikel 2. en 3. van dit reglement. In dit verband geldt in het bijzonder dat:
a. in geval van een belangrijke wijziging in de kring van deelhebbers of de structuur van de onderneming van de erkenninghouder hiervan door deze - tenzij zulks redelijkerwijze niet van hem kan worden verlangd - uiterlijk één maand tevoren kennis moet worden gegeven aan het Bestuur onder de gehoudenheid tevens aan te tonen, dat na doorvoering van een dergelijk belangrijke wijziging kan worden voldaan aan de eisen van dit reglement;
b. de (tijdelijk) erkenninghouder, alsmede ieder van zijn bestuurders of feitelijk leidinggevenden, gehouden is om onverwijld aan het Bestuur schriftelijk mededeling te doen, dat de (tijdelijk) erkenninghouder niet langer tot volledige of tijdige betaling aan één of meer media-exploitanten in staat is. Onverwijld betekent in dit verband: binnen 14 dagen nadat de betalingstermijn als bedoeld in artikel 16. lid 2 van de Regelen is verstreken. Op eerste verzoek van het Bestuur zal de (tijdelijke) erkenninghouder verder zijn gehouden om terstond nadere inlichtingen en stukken aan het Bestuur te verstrekken. Wordt aan het vorenstaande door de (tijdelijk) erkenninghouder, of zijn bestuurders of feitelijk leidinggevenden, voldaan, dan ziet het Bestuur af van mogelijke hoofdelijke aanspraken jegens deze bestuurders of feitelijk leidinggevenden in privé uit hoofde van onrechtmatige daad, tenzij er sprake is van opzet of grove schuld aan de zijde van deze bestuurders of feitelijk leidinggevenden.
6.2.
De erkenninghouders zijn gehouden:
a. binnen drie maanden na afloop van het boekjaar of zoveel vaker als het Bestuur nodig acht, het Bestuur op de door het Bestuur voorgeschreven wijze te informeren over hun financiële positie. Erkenninghouders, aan wie een erkenning is verleend, dienen, behoudens een andersluidende beslissing van het Bestuur, de samenstelling van hun jaarrekening, bestaande uit balans, winst- en verliesrekening en de toelichting daarop, te laten verzorgen door een accountant-administratieconsulent of registeraccountant;
b. verzoeken om verlenging van de sub a. genoemde termijn voor financiële rapportage in te dienen bij het Bestuur binnen twee maanden na afloop van het boekjaar onder opgave van redenen en vermelding van het in dat boekjaar gerealiseerde resultaat.
Erkenninghouders aan wie een tijdelijke erkenning is verleend, hebben de sub a. bedoelde verplichting eveneens voor de eerste helft van enig boekjaar. Het bepaalde sub b. is daarbij van overeenkomstige toepassing.
6.3.
Het Bestuur is gerechtigd te bepalen, dat de financiële rapportageplicht van een erkenninghouder, die deel uitmaakt van een groter geheel, wordt uitgebreid tot dat geheel, indien het Bestuur dit noodzakelijk voorkomt. Alsdan wordt de financiële positie van de erkenninghouder beoordeeld op basis van de financiële positie van het grotere geheel, dan wel kan bij de bepaling van de financiële positie van de erkenninghouder het oordeel over de financiële positie van het grotere geheel worden betrokken, waarbij de voorwaarde geldt dat (rechts)personen behorende tot dat grotere geheel zich garant stellen en zich hoofdelijk verbinden voor de schulden van de erkenninghouder jegens media-exploitanten, indien en voor zover het Bestuur zal oordelen, dat zulks ter voldoening aan de bepalingen van dit reglement noodzakelijk is.
6.4.
Van de verplichting tot financiële rapportage maakt een wezenlijk onderdeel uit de verplichting van de erkenninghouder om aan te geven welke maatregelen zijn (voor)genomen tot opheffing van een eventueel vermogens- en/of liquiditeitstekort en/of verbetering van een eventueel negatieve rentabiliteit over de gerapporteerde periode, alsmede welke de financiële gevolgen van deze maatregelen zijn gebleken, zulks in relatie tot de gehoudenheid om aan de eisen van dit reglement te voldoen.
6.5.
Een Erkenninghouder, die uitsluitend indirect, via één of meer erkenninghouders, die rechtstreeks contracteren met deze media-exploitanten, reclame-uitingen doet plaatsen in de media van de bij de Stichting ROTA aangesloten partijen, is gehouden zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de Stichting ROTA te melden, dat de erkenninghouder overgaat of is overgegaan tot het rechtstreeks contracteren met media-exploitanten.